Verzamelbrief pensioenonderwerpen

In dit artikel gaan wij kort in op de verschillende onderwerpen en wat de Minister over de verschillende onderwerpen heeft gemeld.

Op 22 september 2020 heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een kamerbrief aan de Eerste- en Tweede Kamer gezonden, waarmee hij de beide Kamers informeert over een zevental onderwerpen rondom pensioenen. In dit artikel gaan wij kort in op de verschillende onderwerpen en wat de Minister over de verschillende onderwerpen heeft gemeld.

  1. Stand van zaken inzake de toezeggingen bij de evaluatie van de Wet verbeterde premieregeling (Wvp)
  2. Eén van de belangrijkste bevindingen uit voornoemde evaluatie was de grote diversiteit aan producten en de complexiteit ervan. De Minister heeft daarom aangegeven aanleiding te zien tot het verbeteren en uniformeren van de informatievoorziening. Inmiddels is de Minister met de sector in gesprek gegaan en heeft vervolgens een aantal initiatieven en maatregelen genomen om de begrijpelijkheid en de vergelijkbaarheid van Wvp-producten en daarmee tevens de uitvoering van de Wvp voor nu én in het nieuwe stelsel te verbeteren. De aangekondigde wijzigingen in wet- en regelgeving worden bij de wetsuitwerking van het Pensioenakkoord meegenomen, gelijktijdig met de andere aanpassingen aan de bestaande premieregeling die zijn toegezegd bij de uitwerking van het Pensioenakkoord in de hoofdlijnennota.


  3. Begrijpelijke communicatie over het nieuwe pensioenstelsel voor deelnemers
  4. De Minister geeft aan dat hij op toegankelijke wijze inzichtelijk heeft gemaakt wat er gaat veranderen en hoe het nieuwe pensioenstelsel eruit komt te zien. Ten aanzien van de communicatie vóór en gedurende de aanstaande (transitie)periode zal het Ministerie in gesprek gaan met betrokken partijen, om te bezien op welke wijze daar het beste invulling aan kan worden gegeven.


  5. Planning uniformering partnerbegrip
  6. De Minister is voornemens de uniformering van het partnerbegrip mee te laten lopen in het wetsvoorstel inzake de uitwerking van het Pensioenakkoord. De beoogde inwerkingtredingsdatum hiervoor is 1 januari 2022. Daarbij geeft de Minister aan van mening te zijn dat er hiermee voldoende tijd is om met de sector uitvoeringskwesties te bezien.


  7. Gesprek ouderen- en jongerenorganisaties
  8. De Minister geeft aan op korte termijn met vertegenwoordigers van ouderen- en jongerenorganisaties in gesprek te gaan over de vorm van inspraak bij het invaren van bestaande aanspraken en rechten naar het nieuwe pensioenstelsel. Bij de wetsuitwerking van het Pensioenakkoord zal de Minister met de organisaties in gesprek blijven.


  9. Indexatieperspectief voor ouderen in het nieuwe stelsel
  10. De Minister geeft aan dat het nieuwe contract – door vervallen van de buffereisen – sneller meebeweegt met de ontwikkeling van de economie en daarmee indexatie dichterbij brengt ten opzichte van het huidige ftk-contract. Of voor oudere deelnemers, ten koste van dat indexatieperspectief (maar ter verkleining van hun kortingskansen), in het nieuwe stelsel meer risicomijdend wordt belegd zal per fonds worden bepaald.


  11. Effectieve pensioenleeftijden in de publieke sector in de EU
  12. De Minister laat zien dat de effectieve pensioenleeftijd in de verschillende OESO-landen sterk uiteenloopt. Daarbij merkt de Minister op dat de effectieve pensioenleeftijd in de Eurolanden de laatste decennia aanzienlijk gestegen is. Vrijwel alle Europese lidstaten zijn bezig hun pensioenstelsel te hervormen. Daarbij speelt de vergrijzing een belangrijke rol. Conclusie van de Minister is dan ook dat in veel lidstaten ook in de toekomst hervorming van het pensioenstelsel nodig zal blijven.


  13. Reactie op het CPB/Netspar-onderzoek naar lage rente en de toekomst van pensioenen
  14. Tot slot gaat de Minister in op een onafhankelijk onderzoek van CPB/Netspar naar de gevolgen van een langdurige lage rente voor een kapitaalgedekt pensioenstelsel. Het onderzoek laat zien dat de rentes wereldwijd al geruime tijd laag zijn en de financiële markten ervan uit lijken te gaan dat dit de komende jaren zo zal blijven. Het CPB stelt daarom dat het goed is rekening te houden met langdurig lagere rendementen voor pensioenfondsen.

De kern van hetgeen Minister Koolmees naar aanleiding hiervan stelt, is dat ook in het nieuwe pensioencontract een langdurig laag rendement impact zal hebben op het pensioenvermogen en daarmee de pensioenuitkeringen. De rente blijft vanzelfsprekend een rol spelen als element van het beleggingsrendement, maar de rol van de rente in het waarderen van verplichtingen verdwijnt. Onderdeel van het Pensioenakkoord is de introductie van een nieuw pensioencontract, waarbij niet meer met ‘aanspraken’ wordt gewerkt en (dus) ook niet meer met verplichtingen voor de pensioenuitvoerder. Er is dan ook geen sprake meer van de (risicovrije) rekenrente en dekkingsgraden.

Heeft u liever dat wij de benchmark voor u invullen, stuurt u ons dan uw huidige pensioencontract.