Kamerbehandeling pensioenakkoord

Artikel over de kamerbehandeling en de beantwoording van schriftelijke vragen over het pensioenakkoord

Op 14 juli heeft de Tweede Kamer het reces onderbroken om te debatteren over het pensioenakkoord. Het debat leidde niet tot belangrijke nieuwe inzichten, en bevestigde het beeld zoals dat al eerder bestond dat het kabinet – uiteraard onder voorwaarden – kan rekenen op ruime steun voor het gesloten akkoord. Omdat de wetsbehandeling mogelijk zal duren tot na de verkiezingen, die gepland zijn voor 17 maart 2021, is dat geen overbodige luxe. De minister ging onder meer in op wat hij noemt het ingroeipad. Daaronder wordt begrepen de vormgeving van het financieel toetsingskader voor de jaren tot aan de transitie, zowel vanuit dekkingsgraden lager dan 100% als vanuit dekkingsgraden hoger dan 100%. Het pensioenakkoord bevat daarover nog geen afspraken. Een complicatie in de formulering van een ingroeipad is dat niet gezegd is of fondsen al dan niet zullen besluiten tot invaren, waarop een dergelijk ingroeipad voorsorteert. Voor fondsen die ertoe besluiten niet in te varen kan het financieel toetsingskader in de huidige vorm blijven bestaan, eventueel met beperkte aanpassingen. Zo komt de grondslag voor het aanhouden voor een toeslagdrempel in dat geval geleidelijk te vervallen. Die heeft immers de bescherming van jongere en toekomstige generaties tot doel. Toekomstige generaties zijn er niet in een gesloten fonds, en jongere generaties steeds minder.

Voorafgaand aan het debat beantwoordde het ministerie een grote hoeveelheid schriftelijke vragen over het pensioenakkoord. Over voornoemd ingroeipad wordt in de beantwoording terloops opgemerkt dat de vormgeving ervan zodanig zou moeten zijn dat een overstap naar het nieuwe stelsel erdoor wordt aangemoedigd. Over een belangrijke consequentie van het huidige financieel toetsingskader en de transitie naar het nieuwe contract, het vervallen van de mogelijkheid van premiedemping, wordt in het antwoord op vraag 98 opvallend geringschattend gesproken. De invloed daarvan kan – aangezien financiering van nieuwe opbouw uit bestaand fondsvermogen niet langer mogelijk zal zijn – aanzienlijk zijn.

Inzake het fiscaal kader geeft het ministerie aan te verwachten dat de grens van 33% grosso modo neerkomt op een totale premie van 35% als risico-elementen en uitvoeringskosten daarin betrokken worden. Die schatting lijkt ons aan de lage kant, zeker in algemene zin. Zo zullen uitvoeringskosten hoger zijn voor kleinere fondsen, en risico-elementen voor oudere populaties. Voor nabestaandenpensioen zal het advies van de Stichting van de Arbeid, in combinatie met de voorgestelde verruiming van de partnerdefinitie, er verder toe leiden dat de premie hoger uit zal vallen voor populaties met lagere inkomens. De premie wordt immers uitgedrukt als percentage van de pensioengrondslag, terwijl de dekking wordt uitgedrukt als percentage van het salaris. Het verschijnsel dat sterftekansen hoger zijn onder lager gesalarieerden, zoals blijkt uit de gegevens die Willis Towers Watson hanteert voor het ervaringssterftemodel, versterkt dat effect.

In september zal ook de Eerste Kamer inbreng leveren voor schriftelijk overleg met de minister.

Heeft u liever dat wij de benchmark voor u invullen, stuurt u ons dan uw huidige pensioencontract.