Pensioenakkoord – compensatie

Op maandag 24 juni publiceerde minister Koolmees de hoofdlijnennotitie over het pensioenakkoord.

De notitie schetst de hoofdlijnen van het pensioenstelsel zoals dat er vanaf 2022 uit moet zien.

Het nieuwe stelsel heeft consequenties voor de hoogte van de pensioenuitkeringen. Bij een kostenneutrale wijziging is het onmogelijk dat er alleen maar ‘winners’ zijn. Er zullen medewerkers zijn die negatief geraakt gaan worden door het nieuwe stelsel. Belangrijke wijzigingen zijn:

  • Afschaffing doorsneesystematiek. Hiermee eindigt de subsidiëring vanuit jong naar oud. Straks krijgt iedere deelnemer in een pensioenregeling dezelfde pensioenpremie (in plaats van dezelfde pensioenopbouw). Jongeren gaan hierdoor méér en ouderen juist mínder pensioen opbouwen. De lagere pensioenopbouw op hogere leeftijd is ongunstig voor de huidige werknemers, vooral voor hen in de leeftijdscategorie 40-50.
  • Afschaffing buffer-eisen in pensioenfonds. Hierdoor krijgen pensioenfondsen meer mogelijkheden om pensioenen te verhogen met gerealiseerde beleggingswinsten. De keerzijde is dat pensioenen ook verlaagd kunnen worden als de beleggingsresultaten tegen zitten. Het vervallen van de buffer-eisen is met name gunstig voor oudere deelnemers in een pensioenfonds. Dit voordeel wordt alleen gerealiseerd als er sprake is van deelname in een pensioenfonds, en dan alleen als de nieuwe regels gaan gelden voor reeds opgebouwde pensioenen (invaren).

Voor deelnemers in een pensioenfonds zijn de twee effecten met elkaar in balans. Volgens doorrekeningen van het CPB en van de Pensioenfederatie is het negatieve effect van afschaffing doorsneesystematiek ongeveer gelijk aan het positieve effect van de afschaffing buffer-eisen. In dat geval zou een verdere compensatie niet nodig zijn.

Iedere pensioenregeling en iedere individuele deelnemer is echter verschillend. Er zullen altijd situaties zijn waarbij er wel een negatief effect is. De overheid komt nog met een voorgeschreven rekenmethodiek voor het bepalen van de uiteindelijke effecten. Het wordt verplicht om deze effecten op individueel niveau inzichtelijk te maken.

Als er sprake is van achteruitgang moet daarvoor een adequate compensatie worden aangeboden. Het begrip “adequaat” is daarbij echter niet gedefinieerd. In de hoofdlijnennotitie is eveneens benoemd dat het nieuwe pensioenstelsel kostenneutraal is. Het zal in veel gevallen een schier onmogelijke opgave zijn om een compensatie te vinden die zowel beantwoordt aan het criterium “adequaat” alsook aan dat van “kostenneutraliteit”.

Deelnemers in een beschikbare premieregeling worden ook geconfronteerd met de afschaffing doorsneesystematiek. Maar zij zullen meestal niet profiteren van lagere buffer-eisen. Voor huidige deelnemers zijn er alleen negatieve effecten. Om te voorkomen dat de pensioenopbouw naar beneden gaat, noemt de hoofdlijnennotitie de mogelijkheid om voor bestaande medewerkers door te gaan met een bestaande leeftijdsafhankelijke premiestaffel zolang de medewerkers in dienst blijven. Nieuwe medewerkers moeten wel terecht komen in regeling met een vaste premie voor álle leeftijden.

Deze mogelijkheid klinkt sympathiek omdat het negatieve pensioenresultaten voorkomt. Eigenlijk is daarmee sprake van volledige compensatie, maar gespreid over een langere periode dan de tien jaar die er in het pensioenakkoord voor zijn toegestaan. Er zijn echter ook belangrijke negatieve effecten, zoals:

  • Nieuwe jonge medewerkers krijgen een hogere pensioenpremie dan reeds aanwezige jongere medewerkers.
  • Oudere medewerkers krijgen een pensioengat als ze uit dienst gaan.
  • De premielasten voor de werkgever gaan omhoog omdat de werkgever voor ouderen de hogere oude premie gaat betalen, en voor nieuwe jongeren de hogere nieuwe premie.

Naar onze mening zijn er daarom veel haken en ogen aan de mogelijkheid die de hoofdlijnennotitie noemt. Onze suggestie is om compenserende maatregelen te zoeken in andere arbeidsvoorwaarden.

Heeft u liever dat wij de benchmark voor u invullen, stuurt u ons dan uw huidige pensioencontract.