Het fiscale kader volgens de hoofdlijnennotitie

Vanwege de afschaffing van de doorsneesystematiek, waardoor regelingen in de toekomst leeftijdsonafhankelijke premies zullen hebben, wordt het fiscaal kader voor tweede pijler pensioenen ingrijpend herzien.

In het vervolg zal de premie uniform worden begrensd. Fiscale begrenzing van (aanpassing van de) uitkeringen komt daarmee te vervallen. Een regeling moet binnen de fiscale grenzen vallen om te kwalificeren voor wat heet de omkeerregel – de regel die bepaalt dat de pensioenregeling uit bruto salaris betaald mag worden, waarna de uitkering wordt belast. Behalve in premiehoogte wordt de fiscale ruimte begrensd in termen van het deel van het salaris waarop die premie betrekking kan hebben. Daarvoor geldt momenteel zowel een onder- als een bovengrens; de franchise en een maximumgrens, die dit jaar 110.111 bedraagt. Het pensioenakkoord wijzigt naar het zich laat aanzien niets aan die grenzen.

Bij de huidige marktomstandigheden stelt de hoofdlijnennotitie dat het fiscale maximum 33% van de pensioengrondslag zal zijn. Dat percentage kan tussen nu en het moment van invoering van de wet (1 januari 2022) nog door marktomstandigheden wijzigen, maar de hoofdlijnennotitie stelt al wel dat het tussen de 30 en 33% zal liggen. In jaren nadien kan het percentage periodiek worden gewijzigd, maar om de stabiliteit te vergroten wordt gesteld dat het niveau van 2022 in beginsel tot 2036 wordt gefixeerd. Daar wordt alleen van afgeweken als tussentijds wijzigende marktomstandigheden aanleiding geven tot een aanpassing van 5%-punt of meer.

Het maximale premiepercentage betreft alleen de pensioenopbouw. Boven het maximum zijn nog verschillende aanvullende premiecomponenten toegestaan:

  • Risico-elementen mogen aanvullend worden gefinancierd. Het gaat dan in het bijzonder om overlijdensrisico en arbeidsongeschiktheidsrisico. Wat overlijdensrisico betreft heeft de Stichting van de Arbeid recent advies uitgebracht om nabestaandenpensioen in de toekomst te standaardiseren. De geadviseerde vorm is een risicodekking van maximaal 50% van het salaris. De prijs van een dergelijke risicodekking is sterk leeftijdsafhankelijk. Door risicopremies op te tellen bij een leeftijdsonafhankelijke basispremie wordt de totale premie dus ofwel alsnog leeftijdsafhankelijk, of herverdelend vanwege het verschil in waarde van de risicodekkingen.
  • Kostenelementen met betrekking tot de uitvoering mogen eveneens aanvullend worden gefinancierd. Voor vermogensbeheerkosten geldt dat niet, die worden geacht gefinancierd te worden uit toekomstige rendementen.
  • In geval een eventuele compensatie in premievorm nodig is, dan is dat voor een periode van tien jaar boven de reguliere fiscale begrenzing, tot een maximum van 3% per jaar. De compensatie die uit die premie wordt toegekend is niet beperkt tot die 3%; deze mag gericht worden toegekend aan deelnemers die nadeel ondervinden van de afschaffing van de doorsneesystematiek.
  • Tot slot stelt de hoofdlijnennotitie ook dat bestaande bijstortingsbepalingen en toeslagverplichtingen mogen worden voortgezet, maar wel alleen voor rechten en aanspraken die al bestaan op het moment van de transitie.

Heeft u liever dat wij de benchmark voor u invullen, stuurt u ons dan uw huidige pensioencontract.