De contractsvormen volgens de hoofdlijnennotitie

Het meest opvallende verschil tussen de hoofdlijnennotitie en het pensioenakkoord van 5 juni 2019 betreft de contractsvormen die erin worden beschreven.

Het meest in het oog springende verschil tussen de hoofdlijnennotitie en het pensioenakkoord van 5 juni 2019 betreft de contractsvormen die erin worden beschreven. Waar in het pensioenakkoord nog sprake was van een ambitieovereenkomst, te beschouwen als de voorkeursvariant van sociale partners, is deze in de hoofdlijnennotitie vervangen door ‘het nieuwe contract’. Dat nieuwe contract is een contract zonder aanspraken, en dus ook zonder rekenrente. De opbouwfase loopt automatisch over in de uitkeringsfase, en op elk moment in de tijd heeft de deelnemer een ‘persoonlijk voor de uitkering gereserveerd vermogen’.

Het nieuwe contract heeft veel kenmerken van een gangbare premieovereenkomst (sinds 2016 automatisch ook vallend onder de Wet verbeterde premieregeling, waardoor deelnemers moeten kunnen kiezen tussen een vaste en een variabele uitkering), maar verschilt daarvan ook in een aantal belangrijke opzichten:

  • Het nieuwe contract gaat uit van een collectief belegd beleid, en een daaruit resulterend collectief beleggingsrendement, dat vervolgens leeftijdsafhankelijk wordt toegedeeld. De leeftijdsafhankelijke toedeling doet recht aan het lifecycleprincipe in beschikbare premieregelingen. In de regel zullen jongere deelnemers een groter aandeel hebben in het overrendement, en ouderen een groter aandeel in het beschermingsrendement. In gangbare premieovereenkomsten vormt het leeftijdsafhankelijk beleggingsbeleid het uitgangspunt, en is daarmee sprake van een expliciete lifecycle met een beleggingsbeleid per leeftijdscohort.
  • In het nieuwe contract wordt het verplicht om, ter vergroting van de intergenerationele solidariteit, te werken met een solidariteitsreserve. De omvang daarvan kan maximaal 15% bedragen, en voeding ervan kan uit (maximaal 10% van de) premie en/of uit (maximaal 10% van het) overrendement. Voor aanwending zijn verschillende vormen mogelijk die de volatiliteit van het pensioenvooruitzicht en de uitkeringenniveaus zouden moeten beperken.
  • In het nieuwe contract kan de leenrestrictie worden opgeheven (jongere generaties kunnen fictief voor meer dan 100% in zakelijke waarden belegd zijn), en is toegang tot illiquide beleggingscategorieën beter te realiseren.
  • Niet onbelangrijk is daarnaast dat deelnemers in gangbare premieovereenkomsten ook na het pensioenakkoord zullen kunnen kiezen tussen een vaste en variabele uitkering (waarbij het eenvoudiger wordt om de variabele uitkering tot default te maken), terwijl deelnemers in het nieuwe contract automatisch in de variabele uitkeringsfase belanden.

Het nieuwe contract zal met name voor pensioenfondsen aantrekkelijk zijn. Ook werkgevers zonder pensioenfonds zullen er echter mee geconfronteerd worden, omdat verzekeraars in de (gestandaardiseerde) voorstellen voor aanpassing regeling en compensatie die zij aan werkgevers die de regeling bij hen hebben ondergebracht ook de mogelijkheid van het nieuwe contract moeten benoemen, zelfs als zij die regeling zelf niet aanbieden.

Heeft u liever dat wij de benchmark voor u invullen, stuurt u ons dan uw huidige pensioencontract.