Hoofdlijnennotitie over de uitwerking van het pensioenakkoord

In dit artikel gaan we dieper in op een aantal elementen van de hoofdlijnennotitie over de uitwerking van het pensioenakkoord

Nadat op 19 juni de stemming van het FNV ledenparlement werd uitgesteld naar 4 juli, heeft minister Koolmees gisteren – onder meer op aandringen van kamerleden – de hoofdlijnennotitie alsnog aangeboden. Andere onderdelen van het pensioenakkoord, zoals inzake de aanpassing van de AOW-leeftijd en de maatregelen met betrekking tot duurzame inzetbaarheid, zijn in afwachting van de stemming van FNV nog niet aan de kamer gezonden. Ook is de kabinetsreactie niet inbegrepen.

De hoofdlijnennotitie schetst de nadere contouren van het nieuwe contract. Dat is evenals de varianten van de Wet verbeterde premieregeling een premieovereenkomst, maar onderscheidt zich daarvan in een aantal opzichten. In de eerste plaats gaat het nieuwe contract niet uit van een expliciete lifecycle, maar van een collectief beleggingsbeleid met leeftijdsafhankelijke toedeling van de rendementen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt naar overrendement en beschermingsrendement. Het leeftijdsafhankelijke toedelingsmechanisme wordt bepaald op basis van de leeftijdsafhankelijke risicohouding. Ten tweede moeten fondsen die het nieuwe contract toepassen een solidariteitsreserve inrichten. De maximale omvang daarvan is 15%, en de maximale dotatie ervan is 10% van de premie en 10% van het overrendement.

Een derde verschil is dat in het nieuwe contract de leenrestrictie wordt opgeheven. Jongere deelnemers kunnen daardoor, overigens zonder dat hun vermogen negatief kan worden, voor meer dan 100% in zakelijke waarden belegd zijn. En ten vierde is een verschil tussen de contracten dat in de Wet verbeterde premieregeling shopping mogelijk is, en in het nieuwe contract niet. In het nieuwe contract koopt elke deelnemer bij pensionering automatisch een variabele uitkering aan. In de Wet verbeterde premieregeling mag dat de default worden, maar een deelnemer moet altijd kunnen kiezen tussen een variabele en een vastgestelde uitkering.

Invaren naar de nieuwe contractsvorm wordt de hoofdregel. Daarbij wordt de waarde van bestaande rechten en aanspraken onder het FTK omgezet naar een ‘persoonlijk voor de uitkering gereserveerd vermogen’. Fondsbesturen kunnen ertoe besluiten niet in te varen, als zij van mening zijn dat invaren leidt tot onevenwichtigheden. In dat geval blijven de rechten en aanspraken onder FTK-toezicht vallen. Niet invaren heeft ook gevolgen voor het compensatievraagstuk, omdat de werking van de dubbele transitie dan niet optreedt.

Na de behandeling in de Tweede Kamer start het verdere wetgevingstraject. Einde 2021 moet de nieuwe wet- en regelgeving gereed zijn. De overstap naar het nieuwe stelsel moet uiterlijk op 1 januari 2026 gemaakt zijn. Voor de jaren tot aan de overgang naar het nieuwe stelsel zal het ministerie een ingroeipad opstellen. Per einde 2020 zullen dezelfde tegemoetkomingen voor kortingsmaatregelen gelden die ook per einde 2019 van kracht waren.
De hoofdlijnennotitie bevat een indicatief schema met mijlpalen voor pensioenfondsen. Eén van de mijlpalen is 1 januari 2024: dan moet er een besluit van sociale partners liggen over de nieuwe regeling, invaren en eventuele compensatie.

Heeft u liever dat wij de benchmark voor u invullen, stuurt u ons dan uw huidige pensioencontract.