Fiscale mogelijkheden pensioenopbouw bij werktijdverkorting COVID-19

Centraal aanspreekpunt pensioenen publiceert in het kader van COVID-19 een V&A

Het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen heeft in het kader van de ontwikkelingen van coronavirus COVID-19, op 16 maart een Vraag & Antwoord gepubliceerd waarin haar beleid inzake pensioenopbouw in combinatie met werktijdverkorting wordt weergegeven. Concreet wordt in deze V&A onderscheid gemaakt tussen de situatie dat de dienstbetrekking in stand blijft en waarbij de dienstbetrekking al dan niet tijdelijk (gedeeltelijk) wordt beëindigd.

  • Indien sprake is van arbeidsduurverkorting waarbij de dienstbetrekking geheel in stand blijft, is er gewoon sprake van pensioengevende diensttijd in de zin van de Wet LB’64 en de daarop gebaseerde regelgeving. Dat vervolgens sprake is van een lager pensioengevend loon hoeft geen probleem te vormen, als er sprake is van een zogenaamde gebruikelijke loonsverlaging volgens artikel 19 Wet LB’64. De pensioenopbouw kan worden gecontinueerd op basis van het pensioengevend loon onmiddellijk voorafgaand aan de arbeidsduurverkorting.
    In aanleg kan derhalve de pensioenopbouw vanuit fiscaal oogpunt bezien, ongewijzigd worden gecontinueerd. Het is echter zo dat pensioenreglementen vaak niet voorzien in een dergelijke situatie, gezien de definitie van het pensioengevend loon. Om een lagere pensioenopbouw te voorkomen zullen de juridische documenten in afstemming met de pensioenuitvoerder op deze nieuwe realiteit moeten worden aangepast. Het is uiteraard geen verplichting voor de werkgever om een lagere pensioenopbouw te voorkomen.
  • Indien sprake is van arbeidsduurverkorting waarbij de dienstbetrekking (gedeeltelijk) tijdelijk wordt beëindigd waarna vervolgens een inkomensvervangende loongerelateerde uitkering wordt genoten (WW-uitkering), is sprake van pensioengevende diensttijd in de zin van de Wet LB’64. Vervolgens mag in fiscale zin de pensioenopbouw worden voortgezet op basis van het pensioengevend loon voorafgaand aan de arbeidsduurverkorting. Ook hier geldt weer dat een dergelijk scenario vaak niet reglementair is geregeld.
  • Indien sprake is van arbeidsduurverkorting waarbij geen sprake is van onvrijwillig ontslag en geen inkomensvervangende loongerelateerde uitkering wordt genoten, kan eventueel gebruik worden gemaakt van vrijwillige voortzetting volgens onderdeel 2.3 van het Verzamelbesluit pensioenen van 11 december 2018, nr. 2018-28514. Het komt erop neer dat de pensioenopbouw onder voorwaarden gedurende maximaal 3 jaar mag worden gecontinueerd.
    Een vrijwillige voorzetting is, zeker bij verzekerde regelingen, niet reglementair geregeld. Desgewenst kan ook dit geïntroduceerd worden waarbij afspraken kunnen worden gemaakt omtrent de kostenverdeling.

Financiële middelen
In fiscale zin zijn er genoeg mogelijkheden om de pensioenopbouw en risicodekkingen op het oorspronkelijk niveau te handhaven. Echter zal het ontbreken van financiële middelen bij de werkgever juist een voortzetting van de oorspronkelijke pensioenopbouw bij werktijdverkorting in de weg staan. Omdat een verlaging van de pensioenopbouw ook gevolgen heeft voor het risiconabestaandenpensioen verdient dit aspect extra aandacht. Mogelijk kan, in afstemming met de pensioenuitvoerder, hiervoor een (tijdelijke) oplossing worden gevonden.

Betalingsvoorbehoud
Mocht een werkgever (niet alleen bij werktijdverkorting) gezien de huidige marktomstandigheden de pensioenpremie niet kunnen betalen, is er de volgende mogelijkheid. Veel pensioenregelingen kennen een betalingsvoorbehoud. Alleen in een situatie van evidente overmacht kan een werkgever hiervan gebruik maken. De werkgever moet kunnen aantonen dat sprake is van een financieel onvermogen om de pensioenpremie te betalen. Enkel een dramatische daling van de aandelenkoers van een onderneming is hiervoor niet voldoende. Een werkgever moet kunnen aantonen over onvoldoende liquiditeiten te beschikken om de pensioenpremie te kunnen voldoen. Een succesvol beroep op het betalingsvoorbehoud heeft als gevolg dat de toekomstige pensioenopbouw (tijdelijk) wordt verlaagd of beëindigd. Ook hiervoor geldt dat het nabestaandenpensioen op risicobasis extra aandacht verdient. Alleen als de mogelijkheid tot het verminderen of opschorten van de pensioenpremie in de pensioenregeling is opgenomen kan een werkgever er een beroep op doen. In het geval de regeling een dergelijke bepaling niet kent, is het niet mogelijk voor een werkgever om hiervan gebruik te maken.

Heeft u liever dat wij de benchmark voor u invullen, stuurt u ons dan uw huidige pensioencontract.